Oona Libens

Optische anatomiekamer

Atelier B

Oona Libens maakt in Bekegem een aantal primitieve projectoren waarbij het publiek het beeld door middel van objecten en lenzen kan manipuleren. Zo ontstaat een laboratorium van licht, een anatomische kamer van projectoren.

Haar werk situeert zich in de sfeer van de media-archeologie en de geschiedenis van het (bewegend) beeld. Van schaduwspel, over de laterna magica, naar het (TV-)scherm, Google en de hedendaagse beeld- en spektakelmaatschappij: Oona laat heden en verleden resoneren in haar performances met licht, schaduw en mechanische theatertechnieken. Zo tracht ze een langzame entertainment-machine te maken, één die twijfelt, hapert en het af en toe begeeft. Wetenschappelijke thema’s zoals het universum, tijd of de onderwaterwereld komen aan bod, maar worden verdraaid tot poëtische semi-waarheden. Haar fascinatie voor licht en schaduw legt ze ook vast in tweedimensionele beelden (fotogrammen) en kleine installaties.

WEBSITE

Lees meer

Interview Oona Libens

Door Vincent Focquet
Als rode draad doorheen het werk van Oona Libens (°1987) loopt een mateloze fascinatie voor licht en schaduw. In performances, installaties en fotogrammen verwondert de Belgisch-Zweedse kunstenaar zich over de dingen die ze niet helemaal begrijpt. We hebben het over wetenschap, technologie en wat oude dingen ons over het nu kunnen leren.

VINCENT FOCQUET: Je schippert tussen Zweden en België. Hoe ziet jouw thuis eruit?
OONA LIBENS:
 Mijn moeder is Zweedse en mijn vader komt uit België. Ik groeide op in Gent, maar bracht in die periode elke zomer in Zweden door. Toen ik op de middelbare school zat, heb ik drie jaar in Zweden gewoond, waarna ik ben teruggekomen om aan KASK Gent te studeren. Sindsdien woon en werk ik zowel in Zweden als in België.

Je werk zoekt overlappingen tussen poëzie en wetenschap. Hoe kom je bij die fascinatie voor wetenschap?
Het is niet het feitelijke van de wetenschap dat me aantrekt, maar eerder het absurde ervan. De wetenschap biedt enorm veel antwoorden, maar niet op onze levensvragen. De abstracte taal van de wetenschap spreekt me wel enorm aan, soms lijkt het wel poëzie. Ook denk ik dat de kunst overneemt, waar de wetenschap niet in staat is antwoorden te bieden. Het spelen daarmee werd belangrijk in mijn werk toen ik op zoek ging naar een narratief dat het dromerige van het schaduwtheater tegen kon kleuren. Ik werk in mijn performances met het format van 18e en 19e-eeuwse performatieve lezingen die gebruikt werden om wetenschappelijke ontdekkingen over te brengen bij een publiek. Daarbij werden vroege projectietechnieken zoals de magische lantaarn gebruikt. Door mijn gebruik van semi-waarheden speel ik met de elementen waarheid, autoriteit en kennisoverdracht die toen centraal stonden. Ik creëer een eigen logica, dat is mijn manier om met de onbegrijpelijkheid van de dingen om te gaan.

De meeste hedendaagse voorstellingen die de thematiek van technologie behandelen hebben het over hi-tech innovatie. Vanwaar jouw focus op oude, analoge technieken?
Ik probeer binnen de technologische context een link te legg en tussen het heden en het verleden. Die lezingen waren eigenlijk de powerpointpresentaties van vandaag. Het is belangrijk dat we een historisch referentiekader opbouwen om naar de hedendaagse technologie te kijken. Zo kunnen we proberen een lijn waar te nemen die doorheen de technologische evolutie loopt. Er worden te weinig fi losofi sche discussies rond technologie gevoerd. Meestal gaan we gewoon kritiekloos mee in het enthousiasme dat technologische innovatie met zich meebrengt. In die zin helpt het om naar oudere technologieën te kijken om dat te begrijpen. Je ziet dat die technologie niet losstaat van maatschappelijke processen.

Spreekt er uit je keuze voor die tragere technieken ook een soort nostalgie?
Ik denk niet dat ik het woord nostalgie wil gebruiken. Ik wil technologie opnieuw toe-eigenen, opnieuw menselijk maken. Als een Macbook kapot gaat moet je een nieuwe kopen, want je weet er niets over omdat alle kennis bij grote multinationals zit. Dat contrasteert met de technologie in mijn voorstelling, die is menselijk en transparant. Alsof ik de gebruiksaanwijzing kan laten zien. Ik ben ook op zoek naar vertraging. De snelheid waarmee beelden vandaag op ons afkomen is onvoorstelbaar, waardoor we er niet meer bij stilstaan. Er ontstaat een beeldinflatie.

De ruimte, de zee, het lichaam, de werelden waarmee je aan de slag gaat, zetten aan tot verwondering. Wat betekent dat woord voor je?
Verwondering is misschien wel mijn belangrijkste drijfveer, dat is voor mij de kern. Ikzelf verwonder me vaak over bepaalde lichtinval of lichteffecten en dat wil ik met de toeschouwer delen. Al van voor ik begon te studeren, was ik met schaduwtheater bezig. Het is net zoals naar vuur kijken, je raakt erdoor gefascineerd. Ik streef ook naar een totaalervaring, in die zin dat de toeschouwer kan opgaan in mijn werk en even uit de dagelijkse sleur wordt gehaald.

Wat zijn je plannen voor Kunstenfestival PLAN B?
Ik ga in Bekegem een ‘media-archeologische’ installatie tonen. Dat betekent dat ik aan de slag ga met technologie uit het verleden. In de geschiedenis van het bewegend beeld waren diorama’s en peepshows belangrijke technologieën, daar wil ik iets mee doen. Een eerste idee is dus een soort van kijkkast. Een tweede plan is om zelf een paar primitieve projectoren te maken. Ik wil graag met zonlicht werken, maar daarvoor moet het natuurlijk zonnig zijn.

Wat is het belang van kunst maken in het dorp?
In de stad is men vrij verwend als het op cultuur aankomt. Ik vind het belangrijk om kunst naar minder evidente plekken te brengen en om stedelingen en dorpelingen met elkaar in contact te brengen via kunst. Niet dat enkel stedelingen kunstenaars zijn, maar er is wel een enorme aantrekkingskracht voor – en concentratie van – kunstenaars in steden. Er bestaat een risico dat er een te grote kloof ontstaat tussen de stad en het dorp. Kunst in het dorp, buiten de instituties, kan een manier zijn om die tegenstellingen te overbrugg en. De confrontatie met minder ervaren kunstkijkers kan ook een antidotum zijn tegen de navelstaarderij, die kunst in de klassieke stedelijke instituten wel eens durft te vertonen. Daar kom je in een dorp niet mee weg.

UIT: PUBLICATIE KUNSTENFESTIVAL PLAN B 2018 

Lees minder

Oona Libens

Bio

Oona Libens (°1987, SE/BE) studeerde in 2012 af in multimediale vormgeving aan KASK Gent.

Credits

Foto Annelien Vermeir

Atelier B

Oona Libens maakt in Bekegem een aantal primitieve projectoren waarbij het publiek het beeld door middel van objecten en lenzen kan manipuleren. Zo ontstaat een laboratorium van licht, een anatomische kamer van projectoren.

Haar werk situeert zich in de sfeer van de media-archeologie en de geschiedenis van het (bewegend) beeld. Van schaduwspel, over de laterna magica, naar het (TV-)scherm, Google en de hedendaagse beeld- en spektakelmaatschappij: Oona laat heden en verleden resoneren in haar performances met licht, schaduw en mechanische theatertechnieken. Zo tracht ze een langzame entertainment-machine te maken, één die twijfelt, hapert en het af en toe begeeft. Wetenschappelijke thema’s zoals het universum, tijd of de onderwaterwereld komen aan bod, maar worden verdraaid tot poëtische semi-waarheden. Haar fascinatie voor licht en schaduw legt ze ook vast in tweedimensionele beelden (fotogrammen) en kleine installaties.

WEBSITE

Interview Oona Libens

Door Vincent Focquet
Als rode draad doorheen het werk van Oona Libens (°1987) loopt een mateloze fascinatie voor licht en schaduw. In performances, installaties en fotogrammen verwondert de Belgisch-Zweedse kunstenaar zich over de dingen die ze niet helemaal begrijpt. We hebben het over wetenschap, technologie en wat oude dingen ons over het nu kunnen leren.

VINCENT FOCQUET: Je schippert tussen Zweden en België. Hoe ziet jouw thuis eruit?
OONA LIBENS:
 Mijn moeder is Zweedse en mijn vader komt uit België. Ik groeide op in Gent, maar bracht in die periode elke zomer in Zweden door. Toen ik op de middelbare school zat, heb ik drie jaar in Zweden gewoond, waarna ik ben teruggekomen om aan KASK Gent te studeren. Sindsdien woon en werk ik zowel in Zweden als in België.

Je werk zoekt overlappingen tussen poëzie en wetenschap. Hoe kom je bij die fascinatie voor wetenschap?
Het is niet het feitelijke van de wetenschap dat me aantrekt, maar eerder het absurde ervan. De wetenschap biedt enorm veel antwoorden, maar niet op onze levensvragen. De abstracte taal van de wetenschap spreekt me wel enorm aan, soms lijkt het wel poëzie. Ook denk ik dat de kunst overneemt, waar de wetenschap niet in staat is antwoorden te bieden. Het spelen daarmee werd belangrijk in mijn werk toen ik op zoek ging naar een narratief dat het dromerige van het schaduwtheater tegen kon kleuren. Ik werk in mijn performances met het format van 18e en 19e-eeuwse performatieve lezingen die gebruikt werden om wetenschappelijke ontdekkingen over te brengen bij een publiek. Daarbij werden vroege projectietechnieken zoals de magische lantaarn gebruikt. Door mijn gebruik van semi-waarheden speel ik met de elementen waarheid, autoriteit en kennisoverdracht die toen centraal stonden. Ik creëer een eigen logica, dat is mijn manier om met de onbegrijpelijkheid van de dingen om te gaan.

De meeste hedendaagse voorstellingen die de thematiek van technologie behandelen hebben het over hi-tech innovatie. Vanwaar jouw focus op oude, analoge technieken?
Ik probeer binnen de technologische context een link te legg en tussen het heden en het verleden. Die lezingen waren eigenlijk de powerpointpresentaties van vandaag. Het is belangrijk dat we een historisch referentiekader opbouwen om naar de hedendaagse technologie te kijken. Zo kunnen we proberen een lijn waar te nemen die doorheen de technologische evolutie loopt. Er worden te weinig fi losofi sche discussies rond technologie gevoerd. Meestal gaan we gewoon kritiekloos mee in het enthousiasme dat technologische innovatie met zich meebrengt. In die zin helpt het om naar oudere technologieën te kijken om dat te begrijpen. Je ziet dat die technologie niet losstaat van maatschappelijke processen.

Spreekt er uit je keuze voor die tragere technieken ook een soort nostalgie?
Ik denk niet dat ik het woord nostalgie wil gebruiken. Ik wil technologie opnieuw toe-eigenen, opnieuw menselijk maken. Als een Macbook kapot gaat moet je een nieuwe kopen, want je weet er niets over omdat alle kennis bij grote multinationals zit. Dat contrasteert met de technologie in mijn voorstelling, die is menselijk en transparant. Alsof ik de gebruiksaanwijzing kan laten zien. Ik ben ook op zoek naar vertraging. De snelheid waarmee beelden vandaag op ons afkomen is onvoorstelbaar, waardoor we er niet meer bij stilstaan. Er ontstaat een beeldinflatie.

De ruimte, de zee, het lichaam, de werelden waarmee je aan de slag gaat, zetten aan tot verwondering. Wat betekent dat woord voor je?
Verwondering is misschien wel mijn belangrijkste drijfveer, dat is voor mij de kern. Ikzelf verwonder me vaak over bepaalde lichtinval of lichteffecten en dat wil ik met de toeschouwer delen. Al van voor ik begon te studeren, was ik met schaduwtheater bezig. Het is net zoals naar vuur kijken, je raakt erdoor gefascineerd. Ik streef ook naar een totaalervaring, in die zin dat de toeschouwer kan opgaan in mijn werk en even uit de dagelijkse sleur wordt gehaald.

Wat zijn je plannen voor Kunstenfestival PLAN B?
Ik ga in Bekegem een ‘media-archeologische’ installatie tonen. Dat betekent dat ik aan de slag ga met technologie uit het verleden. In de geschiedenis van het bewegend beeld waren diorama’s en peepshows belangrijke technologieën, daar wil ik iets mee doen. Een eerste idee is dus een soort van kijkkast. Een tweede plan is om zelf een paar primitieve projectoren te maken. Ik wil graag met zonlicht werken, maar daarvoor moet het natuurlijk zonnig zijn.

Wat is het belang van kunst maken in het dorp?
In de stad is men vrij verwend als het op cultuur aankomt. Ik vind het belangrijk om kunst naar minder evidente plekken te brengen en om stedelingen en dorpelingen met elkaar in contact te brengen via kunst. Niet dat enkel stedelingen kunstenaars zijn, maar er is wel een enorme aantrekkingskracht voor – en concentratie van – kunstenaars in steden. Er bestaat een risico dat er een te grote kloof ontstaat tussen de stad en het dorp. Kunst in het dorp, buiten de instituties, kan een manier zijn om die tegenstellingen te overbrugg en. De confrontatie met minder ervaren kunstkijkers kan ook een antidotum zijn tegen de navelstaarderij, die kunst in de klassieke stedelijke instituten wel eens durft te vertonen. Daar kom je in een dorp niet mee weg.

UIT: PUBLICATIE KUNSTENFESTIVAL PLAN B 2018 

Bio

Oona Libens (°1987, SE/BE) studeerde in 2012 af in multimediale vormgeving aan KASK Gent.

Credits

Foto Annelien Vermeir