Thomas Willemen

Capsule

Atelier B / Gouvernement

In de installatie Capsule gaat Thomas Willemen op zoek naar een manier om een zo groot mogelijke kubus te bouwen. Beperkt door de materialen waarmee hij werkt en zijn kennis hierover, is het ontwerp meer en meer vervreemd van haar oorspronkelijke vorm. De uiteindelijke constructie probeert nog een kubus na te bootsen, maar is in wezen iets anders. Een ongewoon element in het landschap van Bekegem dat doorheen de route steeds in je ooghoek aanwezig blijft.

Zijn werk, ergens tussen sculptuur en installatie in, vertrekt meestal vanuit een alledaagse vorm: de hexaëder (ofte: kubus). Deze vorm trekt hij de materiële wereld in, en speelt vervolgens met de bouwstenen. Op die manier is elk werk een hervorming van hetzelfde ruimtelijk element. De ene oogt licht maar is zwaar, de ander lijkt massief maar is leeg en weer een ander is opgebouwd uit lucht. Via tegenstellingen legt hij spanning op de grens tussen materie en vorm, speelt met illusies en stelt de wetten van de fysica in vraag.

WEBSITE

Lees meer

Interview Thomas Willemen

Door Vincent Focquet
Thomas Willemen (°1994) studeerde dit jaar af als master in de Vrije Kunsten aan KASK Gent. Hij noemt zichzelf in dit interview zowel een amateurfysicus als een conceptueel kunstenaar als een ruimtelijk beeldhouwer. Hieronder pogen we die drie identiteiten samen te brengen aan de hand van zijn immer kubusvormig werk.

VINCENT FOCQUET: Vanwaar die voorkeur voor de kubus?
THOMAS WILLEMEN: De kubus is puur conceptueel. Het is een platonische vorm. Dat wil zeggen dat het een soort perfect idee is. Mijn werk bestaat erin dat idee te vertalen naar de materiële werkelijkheid. Het gaat erom manieren te verzinnen om het idee uit mijn hoofd de wereld in te krijgen. Dat is gedoemd om te mislukken, maar het is in die vertaling van idee naar praktijk dat de poëzie van mijn werk zit. Ik vond altijd dat ik mezelf dus eigenlijk een conceptueel kunstenaar kon noemen. Maar door de focus die ik nu op materie leg, zou ik mezelf eerder zoiets als een ruimtelijk beeldhouwer noemen. Ik blijf wel altijd streven naar die perfecte kubus. Ik hoop dat dat nooit lukt en ik mijn hele loopbaan als ruimtelijk beeldhouwer rustig verder kan blijven zoeken.

 

“Het gaat erom manieren te verzinnen om het idee uit mijn hoofd de wereld in te krijgen.”

 

Je werk is dus bijna een praktische aangelegenheid?
Inderdaad. Als ik weet wat ik wil maken, vertrek ik eerst en vooral vanuit een materiaal. In het geval van mijn werk Luchtmasssa, wou ik bijvoorbeeld kubussen in beton maken die eruit zagen alsof ze heel weinig wogen. De technische problemen zorgen er dan voor dat het werk zichzelf ontwikkelt. Veel mensen willen mijn werk ook aanraken. Dat komt volgens mij door de manier waarop ik met dat materiaal speel.

Hoe ga je concreet te werk bij het ontwikkelen van een sculptuur of installatie?
Ik begin dus steeds vanuit datzelfde idee van de kubus. Op een bepaald moment valt mij iets te binnen over hoe ik die kubus wil gaan maken. Dat kan uit een bepaald idee voor het materiaal komen bijvoorbeeld. Wanneer ik dat allemaal bedacht heb, bedenk ik een strategie om het object te gaan maken. Ik weet dus voor ik begin heel duidelijk waar ik heen wil. Gaandeweg word ik dan met praktische problemen geconfronteerd en moet ik mijn strategie bijstellen. Een jurylid van mij vertelde me eens dat ik eigenlijk met de fysica bezig was zonder die wetenschap te beheersen. Dat vind ik heel erg mooi. Ik zou mezelf ook een amateurfysicus kunnen noemen.

Wat is het plan in Bekegem?
Ik wou voor Bekegem iets sociaals maken. Maar hoe maak je een kubus in godsnaam sociaal? Zo ben ik eigenlijk bij het omgekeerde gekomen. Ik wou iets maken dat je niet rechtstreeks aanspreekt. Het moet iets zijn dat wel aanwezig is, maar dat je niet kan aanraken. Iets dat zich terugtrekt uit het sociale zonder echt te verdwijnen; mensen zullen het er nog steeds over hebben. Hij moest dus wel heel groot zijn en liefst ook zwart. De kubus zou dan komen te staan in het midden van een akker waarrond de route loopt, en zo een object worden dat gedurende de hele wandeling doorheen Bekegem aanwezig is, maar nooit benoemd wordt.

Maar dan duiken die praktische problemen dus op?
Exact. Ik wou eerst een kubus van tien op tien op tien meter bouwen. Dat is nu al 7,5 meter geworden. Omdat de constructie zo’n grote oppervlakte zal beslaan, moet ik ervoor zorgen dat de wind hem niet kan vangen. Daarom dacht ik eraan om de kubus met zwarte doeken te bekleden, een beetje zoals de Ka’aba in Mekka. Dan kan de wind er makkelijk doorheen waaien. Dit is dus zo’n punt waarop praktische problemen de vorm van mijn werk bepalen.

Wat is voor jou het verschil tussen dorp en stad en wat betekent dat voor de kunsten?
De tijd en de ruimte. Dingen gaan trager in een dorp en er is meer open ruimte dan in de stad. In het geval van ruimte is er misschien nog wel veel mogelijk voor de kunsten. Maar het probleem blijft natuurlijk mensen vinden die kunst willen zien en ondersteunen. Daar ligt misschien de uitdaging. Ik kom zelf uit een klein dorp in Limburg en de mentaliteit is daar toch anders. Dat maakt dat mensen op een andere manier naar werk kijken. Ik denk dat mijn werk zich bijvoorbeeld wel laat lezen door mensen die niet per se geïnteresseerd zijn in kunst. Iedereen kent het concept van een kubus natuurlijk. Dat maakt me benieuwd om in Bekegem aan de slag te gaan.

UIT: PUBLICATIE KUNSTENFESTIVAL PLAN B 2018 

Lees minder

Thomas Willemen

Bio

Thomas Willemen (°1994, B) studeerde af binnen de opleiding Vrije Kunsten aan het KASK Gent. Zijn werk was eerder al te zien in In De Ruimte (Gent), tijdens Bring Your Own Beamer (KERK, Gent) en op verschillende groepstentoonstellingen als De Donkere Materie (Roest, Amsterdam), Hommage (Bozar, Brussel) en Night Shift (Gouvernement, Gent).

Atelier B Gouvernement

In de installatie Capsule gaat Thomas Willemen op zoek naar een manier om een zo groot mogelijke kubus te bouwen. Beperkt door de materialen waarmee hij werkt en zijn kennis hierover, is het ontwerp meer en meer vervreemd van haar oorspronkelijke vorm. De uiteindelijke constructie probeert nog een kubus na te bootsen, maar is in wezen iets anders. Een ongewoon element in het landschap van Bekegem dat doorheen de route steeds in je ooghoek aanwezig blijft.

Zijn werk, ergens tussen sculptuur en installatie in, vertrekt meestal vanuit een alledaagse vorm: de hexaëder (ofte: kubus). Deze vorm trekt hij de materiële wereld in, en speelt vervolgens met de bouwstenen. Op die manier is elk werk een hervorming van hetzelfde ruimtelijk element. De ene oogt licht maar is zwaar, de ander lijkt massief maar is leeg en weer een ander is opgebouwd uit lucht. Via tegenstellingen legt hij spanning op de grens tussen materie en vorm, speelt met illusies en stelt de wetten van de fysica in vraag.

WEBSITE

Interview Thomas Willemen

Door Vincent Focquet
Thomas Willemen (°1994) studeerde dit jaar af als master in de Vrije Kunsten aan KASK Gent. Hij noemt zichzelf in dit interview zowel een amateurfysicus als een conceptueel kunstenaar als een ruimtelijk beeldhouwer. Hieronder pogen we die drie identiteiten samen te brengen aan de hand van zijn immer kubusvormig werk.

VINCENT FOCQUET: Vanwaar die voorkeur voor de kubus?
THOMAS WILLEMEN: De kubus is puur conceptueel. Het is een platonische vorm. Dat wil zeggen dat het een soort perfect idee is. Mijn werk bestaat erin dat idee te vertalen naar de materiële werkelijkheid. Het gaat erom manieren te verzinnen om het idee uit mijn hoofd de wereld in te krijgen. Dat is gedoemd om te mislukken, maar het is in die vertaling van idee naar praktijk dat de poëzie van mijn werk zit. Ik vond altijd dat ik mezelf dus eigenlijk een conceptueel kunstenaar kon noemen. Maar door de focus die ik nu op materie leg, zou ik mezelf eerder zoiets als een ruimtelijk beeldhouwer noemen. Ik blijf wel altijd streven naar die perfecte kubus. Ik hoop dat dat nooit lukt en ik mijn hele loopbaan als ruimtelijk beeldhouwer rustig verder kan blijven zoeken.

 

“Het gaat erom manieren te verzinnen om het idee uit mijn hoofd de wereld in te krijgen.”

 

Je werk is dus bijna een praktische aangelegenheid?
Inderdaad. Als ik weet wat ik wil maken, vertrek ik eerst en vooral vanuit een materiaal. In het geval van mijn werk Luchtmasssa, wou ik bijvoorbeeld kubussen in beton maken die eruit zagen alsof ze heel weinig wogen. De technische problemen zorgen er dan voor dat het werk zichzelf ontwikkelt. Veel mensen willen mijn werk ook aanraken. Dat komt volgens mij door de manier waarop ik met dat materiaal speel.

Hoe ga je concreet te werk bij het ontwikkelen van een sculptuur of installatie?
Ik begin dus steeds vanuit datzelfde idee van de kubus. Op een bepaald moment valt mij iets te binnen over hoe ik die kubus wil gaan maken. Dat kan uit een bepaald idee voor het materiaal komen bijvoorbeeld. Wanneer ik dat allemaal bedacht heb, bedenk ik een strategie om het object te gaan maken. Ik weet dus voor ik begin heel duidelijk waar ik heen wil. Gaandeweg word ik dan met praktische problemen geconfronteerd en moet ik mijn strategie bijstellen. Een jurylid van mij vertelde me eens dat ik eigenlijk met de fysica bezig was zonder die wetenschap te beheersen. Dat vind ik heel erg mooi. Ik zou mezelf ook een amateurfysicus kunnen noemen.

Wat is het plan in Bekegem?
Ik wou voor Bekegem iets sociaals maken. Maar hoe maak je een kubus in godsnaam sociaal? Zo ben ik eigenlijk bij het omgekeerde gekomen. Ik wou iets maken dat je niet rechtstreeks aanspreekt. Het moet iets zijn dat wel aanwezig is, maar dat je niet kan aanraken. Iets dat zich terugtrekt uit het sociale zonder echt te verdwijnen; mensen zullen het er nog steeds over hebben. Hij moest dus wel heel groot zijn en liefst ook zwart. De kubus zou dan komen te staan in het midden van een akker waarrond de route loopt, en zo een object worden dat gedurende de hele wandeling doorheen Bekegem aanwezig is, maar nooit benoemd wordt.

Maar dan duiken die praktische problemen dus op?
Exact. Ik wou eerst een kubus van tien op tien op tien meter bouwen. Dat is nu al 7,5 meter geworden. Omdat de constructie zo’n grote oppervlakte zal beslaan, moet ik ervoor zorgen dat de wind hem niet kan vangen. Daarom dacht ik eraan om de kubus met zwarte doeken te bekleden, een beetje zoals de Ka’aba in Mekka. Dan kan de wind er makkelijk doorheen waaien. Dit is dus zo’n punt waarop praktische problemen de vorm van mijn werk bepalen.

Wat is voor jou het verschil tussen dorp en stad en wat betekent dat voor de kunsten?
De tijd en de ruimte. Dingen gaan trager in een dorp en er is meer open ruimte dan in de stad. In het geval van ruimte is er misschien nog wel veel mogelijk voor de kunsten. Maar het probleem blijft natuurlijk mensen vinden die kunst willen zien en ondersteunen. Daar ligt misschien de uitdaging. Ik kom zelf uit een klein dorp in Limburg en de mentaliteit is daar toch anders. Dat maakt dat mensen op een andere manier naar werk kijken. Ik denk dat mijn werk zich bijvoorbeeld wel laat lezen door mensen die niet per se geïnteresseerd zijn in kunst. Iedereen kent het concept van een kubus natuurlijk. Dat maakt me benieuwd om in Bekegem aan de slag te gaan.

UIT: PUBLICATIE KUNSTENFESTIVAL PLAN B 2018 

Bio

Thomas Willemen (°1994, B) studeerde af binnen de opleiding Vrije Kunsten aan het KASK Gent. Zijn werk was eerder al te zien in In De Ruimte (Gent), tijdens Bring Your Own Beamer (KERK, Gent) en op verschillende groepstentoonstellingen als De Donkere Materie (Roest, Amsterdam), Hommage (Bozar, Brussel) en Night Shift (Gouvernement, Gent).